Zonde!

Jongen tegen zijn biechtvader: ik ben gisteren met een meisje naar huis gegaan. Pastoor: dat is geen zonde! Jongen: we gingen samen naar boven. Pastoor: dat is geen zonde! Jongen: toen heb ik haar
gekust. Pastoor: dat is geen zonde! Jongen: net toen ik haar had uitgekleed, kwamen haar ouders. Pastoor: maar dat is wèl zonde!