De nachttrein

Een man gaat met de nachttrein naar de wintersport. In de slaapcoupe komt hij tot de ontdekking dat hij de ruimte moet delen met een vrouw.

Ze stellen zich aan elkaar voor. De vrouw gaat boven slapen, de man onder. Ze gaan in bed liggen, maar na een kwartier roept de vrouw:

‘ Buurman,slaapt u al?’

‘Nee’, zegt de man. ‘Ik heb het nogal koud’, zegt de vrouw, ‘wilt u misschien het raampje dicht doen?’;

‘Natuurlijk’, zegt de man. Hij stapt uit bed, doet het raampje dicht en gaat weer liggen.

Na een kwartier roept de vrouw: ‘Buurman, slaapt u al?’;

‘Nee’, zegt de man.

‘Het wordt nogal benauwd’, zegt de vrouw, ‘wilt u misschien het raampje weer open doen?’

‘Oke’, zegt de man. Hij stapt uit bed, doet het raampje open en gaat weer liggen.

Na een kwartier roept de vrouw: ‘Buurman, slaapt u al?’;

‘Nee’, zegt de man.

‘Het begint nu toch weer koud te worden’, zegt de vrouw, maar ik heb gezien dat daar in het kastje nog een deken ligt. Wilt u die misschien voor mij pakken?’

‘We zouden natuurlijk ook kunnen doen of we getrouwd zijn’, zegt de man.’

‘O, zou u dat willen?’, vraagt de vrouw.

‘Ja hoor’, zegt de man.

‘Nou, dat lijkt me ook wel fijn’, zegt de vrouw.

‘Mooi’ zegt de man, ‘Kom uit je nest, pak zelf die deken, kruip weer in je nest ,houd je bakkes en laat me slapen.’